Het lijden in het paasverhaal

In de manier waarop het christelijke paasverhaal door de eeuwen heen is verbeeld, is de vorming van het opgedrongen lijden-narratief helder en duidelijk waar te nemen. In de muziek van Johann Sebastian Bach, de Matthäus-Passion, wordt het lijden van Jezus tot het uiterste uitvergroot en allesbepalend gemaakt. En wat deed Bach? Hij stopte bij de kruisiging met componeren. De opstanding, de overwinning op ‘de dood’, oftewel de transitie van Jezus tot ‘de Christus’, werd door hem niet getoonzet. Dit is curieus te noemen.

Oké, Bach componeerde zijn meesterwerk voor de vesperdienst op Goede Vrijdag om stil te staan bij het lijden van Christus. De focus ligt theologisch en liturgisch dus slechts op het lijden van Jezus en op de kruisiging en begrafenis. Bach volgt letterlijk de hoofdstukken 26 en 27 van het Evangelie volgens Mattheüs, wat eindigt bij het sluiten van het graf door Jozef van Arimatea. De verrijzenis die pas met Pasen wordt gevierd komt dus niet aan bod. De passie eindigt met het grafgezang “Wir setzen uns mit Tränen nieder“, wat de rouw en de berusting van de volgelingen symboliseert. Het laat de luisteraar dan ook achter in een staat van devote rouw.

Velen zitten dan ook ‘in tranen neer’ bij het beluisteren van deze Passion en worden na afloop achtergelaten in een soort heilige aanvoelende depressie. Het Licht van Pasen, de opstanding die deze treurnis zou verdrijven als een vloed van geleefd ‘waarheidswater’, wordt geen enkel moment aangewakkerd.

Het feest van Pasen, dat ook in onze eigen individuele beleving zou moeten draaien om opstanding en verlichting door transformatie, wordt door vrijwel niemand gevierd, anders dan met eieren zoeken en lekker eten met familie. Die Christus-transformatie is de essentie van het paasverhaal, maar óók in ons eigen leven. Door steeds meer kracht op te doen in het afleggen van onze identificaties met lijden, kan dit worden overwonnen. Dat dit in uiterste instantie heel moeilijk is — als laatste stap in het ontwikkelingsoctaaf dat een mens doorloopt — wordt beschreven in het evangelie van Petrus, waarin Jezus aan het kruis roept: “Mijn kracht, mijn kracht, je hebt me verlaten”. Jezus roept dit in plaats van de wanhopige uitroep dat God hem zou hebben verlaten, die in de canonieke evangeliën te lezen is.

Dit is wat mij al lang bezighoudt. Hoe een eenvoudige boodschap van innerlijke bevrijding bedekt kon raken door lagen van macht en repressie. Hoe de bewuste en levende kern van opstanding en bevrijding ingesloten is geraakt in een totaal onbewuste en ‘dode’ klatergouden constructie. Mijn vader verbeeldde dit ooit in een schilderij met als titel “Christus en zijn plaatsbekleder op aarde”.

Links de Christusfiguur: sober, getekend, bijna teruggetrokken in zichzelf. Rechts de vertegenwoordiger van de kerk: zwaar gekroond, in goud gehuld, met de uitstraling van afstandelijk gezag. Tussen die twee figuren bestaat geen enkele overeenkomst meer. Bevrijding van binnenuit werd tot gezag van bovenaf, wat vele jaren zelfs met groot geweld werd afgedwongen. Een totale omkering van waar de bijbel als handleiding naar innerlijke bevrijding voor bedoeld was. Gerealiseerd vanuit totaal onbegrip van mensen die niets begrijpen van waaróm een mens zich innerlijk dient te bevrijden.

Niet alleen in muziek of kunst, maar in de gehele manier van kijken lag in de tijd van Bach al stevig vast dat het lijden centraal moest staan. De bevrijding, de opstanding of transformatie, was toen al volledig op de achtergrond geraakt. In al die eeuwen bepaalden kerkleiders en de liturgie hoe het verhaal gelezen moest worden. Kerkleiders waren toen feitelijk de overheid. Andere opvattingen, zoals innerlijke of gnostische manieren van kijken, werden al in de eerste eeuwen na Christus weggedrukt. Dat heeft grote gevolgen gehad. Als je levende, bevrijdende inzichten vastzet in één vast overheids-narratief, wordt het iets totaal anders. Dan wordt het een systeem. En in een systeem gaat het niet meer om bevrijding, maar om gehoorzaamheid aan de vorm.
We zien dit niet alleen in religie. We zien het ook in politieke en ideologische systemen van nu: zodra een waarheid als narratief vast wordt gelegd, wordt ze gebruikt om mensen in een bepaald kader te houden en drukken vrije, levende en diepere inzichten naar de achtergrond.

De stad Leiden werd ooit belegerd tot op het bot van haar bestaan, waarbij uithongering en wanhoop de inwoners teisterden. Het was niet om uit te houden. Er werd flink geleden! De bevrijding kwam toen men zelf de dijken had doorgestoken en een vloed van water het land overstroomde en de stad in eerste instantie te leek bedreigen. Maar juist hierdoor kon de vloot van de geuzen de stad bereiken en werden de belegeraars verdreven. Wat eerst een bedreiging leek, bleek de weg naar bevrijding.

Op vergelijkbare wijze wordt ook onze menselijke geest belegerd zou je kunnen zeggen, niet door onderdrukkers van buitenaf, maar door innerlijke folteraars: onophoudelijke stromen van negatieve gevoelens en gedachten en diep ingesleten conditioneringen. Oude trauma’s en nare ervaringen die met name in de jeugd zijn opgedaan liggen hieraan ten grondslag. Dus geen belegering van buitenaf. Hoewel… soms ook van buitenaf, want lijden wordt vaak gerechtvaardigd in reguliere opvattingen. Zo ontstaat er een innerlijke ‘stad’ met de naam Lijden. Ook dit Lijden moet worden ontzet.

In deze metafoor kan het water worden gezien als een vloed van waarheid. Iets moet worden doorgestoken. Water staat in de bijbelse filosofie symbool voor waarheid waarnaar wordt geleefd en waarin de psyche niet langer door mechanisch denken en conditioneringen wordt bepaald en beperkt. Het vraagt om een Waarnemer, die elke pijn die wordt ervaren (door welke oorzaak dan ook) in het licht zet van Wijsheid die is opgedaan door de innerlijke discipline die de spirituele ontwikkelingsfilosofie van ons vraagt.

De pijn zelf belegert de geest niet, om in deze metafoor te blijven, maar de identificatie ermee vanuit de onwetende psyche. Deze identificatie met pijn componeert het verhaal van een ‘arme ik’ dat zich zelfs graag lijkt te hechten aan pijnervaringen. Het is niet dat pijn zal verdwijnen als men stopt zich ermee te identificeren, daar is meer voor nodig, maar de vereenzelviging die lijden veroorzaakt, lost op. Ons eigen Lijdens Ontzet begint als essentiële kennis van waarheid ‘doorbreekt’ en de ongewenste innerlijke ‘belegering’ gaat oplossen. Dus als een heilzame vloed.

Deze ‘doorbraak van water-waarheid’ doet een onmiddellijke bevrijding ervaren. Geestelijke vermogens die vastzaten in pijn en werden ‘belegerd’ door identificaties en algemene onbegrepen opvattingen gaan eindelijk stromen. Wat als bedreigend of beangstigend werd ervaren krijgt de ruimte van een open en neutraal waarnemen. Dit voelt  als een ‘verlichting’ die kan worden vergeleken met een ‘opstanding’ uit hetgeen een mens klein en kwetsbaar houdt. Een opstanding uit afhankelijkheid en verinnerlijkte onderdrukking. Niet langer ligt de oplossing van lijden búiten ons als persoon. Het is een terugpakken van de eigen verantwoordelijkheid over de eigen levensgang en bestemming door het lijden op te geven. Een terugvinden van de eigen intrinsieke kracht die een ziel meenam bij het betreden van de huidige aardse manifestatie. Het verhaal van die ‘arme ik’ blijkt nergens op gebaseerd, anders dan op misvattingen en zal niet langer kunnen bestaan. De werkelijkheid die men zichzelf voorschreef lost op.

Hier ligt precies de kern van ‘opstanding’… waarin de lijdende mens opstaat uit zijn eigen belegering van zijn overtuigingen over pijn. Wie opstaat, lijdt niet langer. We zullen onszelf dus moeten ‘ontzetten’ uit ons ‘lijden’. Want ons lijden heeft een bedoeling: het dient te worden overstegen door elke identificatie ermee te stoppen, waardoor pijn al afneemt. We zijn niet ons lijden! We zijn niet onze pijn. We hebben pijn. Het verschil tussen zijn en hebben. We kunnen eenvoudigweg niet zijn wat we hebben.

Toepasselijk stukje uit de roman ‘Lessen’ van Ian McEwan

Socio-politieke roman waarin de hoofdpersoon wordt gevolgd tegen de achtergrond van grote historische gebeurtenissen (De Harmonie).

Hij verliet de zalen met schilderijen voortijdig en wachtte in de grote hal. Nadat ze zich bij hem had gevoegd en ze wegliepen, barstte hij los. […]
Hij verklaarde dat het christendom van oudsher de dood in de pot voor de Europese verbeelding was geweest. Het was een zegen dat die tirannie zijn tijd gehad had. Al die ogenschijnlijke vroomheid was gedwongen conformisme binnen een totalitaire mentaliteit. Als je daar in de zestiende eeuw vragen bij stelde of je ertegen verzette riskeerde je je leven. Het was zoiets als protesteren tegen het sociaal-realisme in de Sovjet-Unie onder Stalin. Het christendom had vijftig generaties lang niet alleen de wetenschap maar zowat de hele cultuur in een wurggreep gehouden, bijna alles wat met vrije expressie en kritisch onderzoek te maken had. Het had de onbevooroordeelde filosofische stromingen van de klassieke oudheid een heel tijdperk lang begraven en duizenden briljante geesten hun energie laten verspillen aan onzinnig theologisch geneuzel. Het had zijn zogenaamde Woord verspreid met gruwelijk geweld en zich gehandhaafd met behulp van foltering, vervolging en moord. […]
Binnen het geheel van de menselijke ervaring van de wereld bestond er een oneindige hoeveelheid mogelijke onderwerpen, maar in heel Europa waren de musea volgestouwd met dezelfde weerzinwekkende kitsch. Het was nog erger dan popmuziek. Het was het Eurovisie Songfestival in olieverf en vergulde lijsten. […]
Wat een verademing om een afbeelding te zien van een burgerlijk interieur, van een brood op een snijplank met een mes ernaast, van een schaatsend paar op een dichtgevroren gracht, hand in hand genietend van een pleziertje terwijl die godvergeten dominee even niet keek. Leve de Hollanders!

© Michiel Koperdraat