Gurdjieffs koets

Interview met Georgi Ivanovitsj Gurdjieff 

.
Beste heer Gurdjieff, ik heb een vraag over wat mij ter ore is gekomen…

Zeg maar Georgi, m’n beste.

Oh, bedankt!
Ik hoorde dat u de mens vergelijkt met een vervoermiddel. Kunt u mij hierover vertellen, over hoe u dit precies ziet?

Jazeker, dat zal ik graag doen.
Ik zie de mens als een koets met paarden ervoor, met een koetsier en met iemand die in de koets zit. En dit geheel gaat voort op een wagenspoor.

Aha… maar waarom een koets en niet een auto?

Auto’s bestonden in mijn jeugd nog niet en ik ging dus vaak met een koets op weg, naar allerlei plekken met interessante en ook wijze mensen. Het waren vaak lange ritten waarin op een gegeven moment deze metafoor als een soort eyeopener bij mij binnenkwam. Ik had tijdens deze ritten tijd ook genoeg om dit verder te overwegen en uit te werken.

Wat heeft u dan ontdekt?

Wel, ik zag opeens dat ik mijn eigen lichaam kan vergelijken met een koets. Want net als een koets maakt mijn lichaam het mogelijk dat ik mij voortbeweeg en van alles tegenkom. Mijn lichaam is een soort voertuig. Het maakt dat ik mij kan voortbewegen in mijn leven.

En dat is het?

Oh nee! Dit is nog maar het begin. De koets wordt namelijk voortgetrokken door paarden. En paarden zijn, zoals u weet, gevoelige dieren en zij staan dan ook voor mijn gevoelens en emoties. Voor mijn verlangens en drijfveren ook. Zonder hen zal de koets niet in beweging komen. Maar paarden zijn gemakkelijk te verontrusten en dan kunnen ze rare dingen gaan doen. Omdat ze middels de dissels met koets verbonden zijn, staat deze koets dus onder invloed hiervan.

Nou ja, er zal toch ook wel iemand zijn die de leidsels vast heeft?

Inderdaad! De koetsier. Heel goed! Die houdt de paarden rustig en leidt ze daarheen waar zij, en dus ook de koets, goed kunnen voortgaan: het wagenspoor. U weet, vroeger waren er geen verharde wegen, alleen wagensporen die min of meer een comfortabele rit mogelijk maakten. Buiten het wagenspoor wordt het hotsen en botsen. Die koetsier staat dan ook voor onze rede – ons intellect – die de paarden, onze gevoel en verlangens, goed leidt.

Oké, dat lijkt wel duidelijk. Is er nog meer over te zeggen? Wie zit er in die koets, bijvoorbeeld?

Een goede vraag! Wie zit er in die koets? Dat is iemand die zich laat rijden en de koetsier zou moeten instrueren. We zullen hem de Ingezetene noemen. In feite doet deze Ingezetene niets. Hij is een toeschouwer, een getuige. Hij ziet toe op het gehele koets-systeem, op de rit, en op de omgeving. De Ingezetene is waarnemer. Maar omdat hij Ingezetene is, zal de koetsier zijn orders moeten uitvoeren, door de paarden goed te mennen en de koets vlotjes te laten voortgaan richting reisbestemming.

Nou, dat is een duidelijke metafoor.
Maar wat hebben we eraan?

Dat zal ik u nu vertellen.
Zoals ik het u nu heb beschreven, als een koets die vlotjes naar zijn reisbestemming voortgaat, zo is het in de praktijk helemaal niet! Het is deerniswekkend met ons gesteld!

Wat???

Kijk, die koets onderhouden we al niet echt goed. We smeren de wielen niet op tijd, het casco wordt maar mondjesmaat onderhouden, we poetsen slechts de buitenkant, een hoop onderdelen roesten en slijten en we behandelen het verkeerd. Soms staat de boel zelfs op instorten…
Maar er is meer mis… De paarden kunnen vrijwel ongeleid alle kanten op gaan. Ze zijn vaak onrustig of gestrest, en regelmatig bokkig. Hierdoor dreigt de koets telkens van het wagenspoor te geraken, waardoor dit toch al krakkemikkige ding op oneffen terrein terecht komt en het zwaar te verduren krijgt.

Maar er is toch een koetsier?

Zeker, maar die zit vaak te pitten, of is met andere dingen bezig dan met zijn werk als koetsier. In deze tijd zou hij de godganse dag met zijn mobieltje in de weer zijn en zijn paarden helemaal niet opmerken. Die grijpt dus veel te weinig in. Hij zou vanuit kennis van zaken de paarden moeten geruststellen en ze terugleiden naar het wagenspoor. Eigenzinnig als de koetsier is, laat ie de boel de boel of zelfs helemaal uit de hand lopen, vanuit de veronderstelling dat ie toch ‘goed bezig’ is, terwijl hem ware kennis ontbreekt.

Maar hoe komt de koetsier dan aan ware kennis?

Als het goed is volgt hij de instructies van de Ingezetene. Want die weet waarheen te gaan en hoe er te komen. Zonder deze ware kennis te volgen wordt het hele systeem een soort ongeleid projectiel. Dat maakt dat het zeer waarschijnlijk dat er vele moeilijkheden en mankementen ontstaan. De Ingezetene kan met zijn instructies de koetsier op het wagenspoor houden, maar dan moet de koetsier wel naar hem gaan luisteren!

Waar staat het wagenspoor dan voor, in deze allegorie? Dat vat ik nog niet…

Het wagenspoor staat voor Nu: het enig relevante moment. Nu is het eeuwigdurende moment waarin alles plaatsvindt en waarin het steeds duidelijk kan zijn wat we moeten doen en wat we moeten laten. Van het wagenspoor áfraken betekent dat we met onze aandacht úit Nu raken. We komen dan in de wildernis terecht van een verbeeld niet-Nu, van een verlopen verleden of een imaginaire toekomst, waarin niets kan gebeuren. Alles gebeurt namelijk in Nu.

Hoe komen we dan in dat niet-Nu verzeild?

Wel, meestal doordat de paarden onrustig worden door iets wat van buitenaf op ze afkomt. Iets wat ze verontrust, iets waar ze van schrikken, iets wat ze pijn doet. Ze gaan dan makkelijk op hol en van het wagenspoor af. Maar ook door hun verlangens, telkens weer op zoek naar bevrediging ervan, wat tot verslaving kan leiden. En die koetsier… die doet dan dus niks, of te weinig. Die zou waakzaam moeten zijn en zich verantwoordelijk moeten voelen voor de paarden. Hij zit echter te slapen, hij let niet op en luistert eigenzinnig als ie is ook niet naar de Ingezetene. De paarden krijgen hierdoor niet de juiste aandacht en kregen vaak ook al jaren niet het juiste voedsel, waardoor ze er slecht aan toe zijn en telkens onbesuisd hun gang gaan of hun hunker achterna, wat henzelf ook schaadt. Dat de koets hierdoor ook veel te lijden krijgt, en dat ie in deze omstandigheden zijn bestemming nog maar moeilijk zal kunnen bereiken, moge duidelijk zijn.

Tjonge… Zoals u het voorstelt, de mens als dit hele systeem, is het goed mis met ons. Eigenlijk stelt u dat dit hele menselijke systeem verkeerd functioneert.

Dat heeft u goed gezien!
Maar dit slechte functioneren, deze hele onbalans waar zelfs ziekte uit kan ontstaan, is vrij eenvoudig te repareren.

Oh ja? Hoe dan?

De koetsier zal moeten gaan luisteren naar de Ingezetene. Hij zal moeten gaan luisteren naar ware kennis, en niet langer eigenzinnig zijn eigen ideeënwereldje moeten willen volgen en aldus ‘maar wat doen’. Want in die eigenzinnigheid overkómt hem alles op zijn weg i.p.v. dat hij alles laat gebeuren en daarnaar handelt. Dan gaan de paarden in onrust telkens de bocht uit i.p.v. dat ze gezond en rustig zijn. Dan wordt de koets krakkemikkig i.p.v. vitaal en sterk te blijven.

Hoe is dit eigenlijk zo gekomen?

Wel, de oorzaak van al deze ellende is eigenlijk dat de Ingezetene helemaal niet wordt gekend, terwijl die nu juist het hele systeem zinvol zou kunnen beheren, en aan wie op zijn minst de koetsier zou moeten gehoorzamen. Daardoor loopt het hele koetssysteem gevaar en is onderhevig aan elke toevallige omstandigheid, aan elke passant die het kaapt voor eigen gewin en die geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor de staat waarin de koets achteloos wordt achtergelaten.

Kunt u het nu nog eens met andere woorden voor mij samenvatten, Georgi?

Graag zelfs. Dit is het geval:
Deze koets-metafoor staat voor elk individu.  De Ingezetene – het Zelf – is voor iedereen gelijk. Er is maar één Ingezetene, hoeveel koetsen er ook zijn. Er is maar één Zelf, hoeveel individuen er ook zijn. 
In zuiver Nu-gewaar-zijn, op het wagenspoor dus, is onze rede, de koetsier, ons mentale instrument om onze verlangens en gevoelens, de paarden, te leiden. Vanuit ware kennis – afkomstig van het Zelf – zal onze rede handelen naar wat werkelijk wordt geweten. Indien onze rede dit niet doet, kan hij niet zuiver leiden.
Onze koetsier gaat bijna altijd af op zijn eigen kompas. Hij noemt dit zijn ‘gezond verstand’. Hij negeert hierdoor zelfs het kompas dat de paarden hem bieden als zij in rustige gang kunnen gaan, want zij voelen vanuit een diep natuurlijk instinct aan welke weg en in welk tempo moet worden gegaan. De paarden hebben namelijk een intuïtief contact met de Ingezetene, wat echter heel makkelijk verstoord kan worden door uiterlijke omstandigheden en door de eigenzinnigheid van de koetsier.

Dus die paarden, onze gevoelens en verlangens, kunnen uit zichzelf veel goed doen?

Dat kunnen ze zeker! De paarden, onze gevoelens en verlangens, kunnen heel goed hun eigen weg vinden als zij in rust en ruimte hun weg kunnen gaan en als ze de juiste begeleiding en voeding krijgen. Paarden voelen een mogelijk gevaar op de weg, zoals een slang, veel eerder dan de koetsier, want ze zijn altijd alert. De koetsier moet dus goed op zijn paarden letten en goed naar hun signalen luisteren. Goede gezonde paarden vinden hun weg vrijwel als vanzelf en hoeven nauwelijks gemend te worden.
Ons gevoel voelt heel veel aan, want het heeft een eigen vorm van razendsnelle intelligentie. Negeren we echter ons gevoel, waardoor steeds meer onrust ontstaat, dan loopt het emotioneel wellicht flink uit de hand. Hierin kan alleen onze rede, ons intellect, verandering brengen, mits handelend vanuit ware kennis.

En hoe past ons ego dan in dit verhaal?

Ons ego is in deze metafoor nog niet echt geduid. Dat zal ik nu doen. Zijn we niet in verbinding met ons Zelf, dan handelen we inadequaat, pakt onze koetsier de zweep, of doet andere onverstandige dingen die de onrust verder aanjaagt. Dit laatste is ons ego: een eigenzinnige koetsier die, onwetend en ware ware kennis ontberend, de paarden verkeerd of helemaal niet ment en ze zelfs op stang jaagt. Hij identificeert zich met allerlei eigenzinnigheden waar hij ‘dit ben ik’ tegen zegt. Want onszelf met iets identificeren, is dit tot onze identiteit maken terwijl het dit onmogelijk kan zijn. Het systeem gaat hierdoor zijn eigen afgescheiden ego-gang en bevindt zich geheel niet meer op het wagenspoor van Nu en botst tegen obstakels of gaat het drijfzand in. Duidelijk is dat dan ook onze lichaam-koets hierdoor lijdt en ziek kan worden en zelfs zal kunnen sterven. Onnodig te zeggen dat zowel onze rede-koetsier als onze drijfveer-paarden hiervan de dupe zullen worden.

Wat bedoelt u met obstakels en drijfzand?

De obstakels en drijfzand zijn alle uiterlijke en innerlijke omstandigheden die we tegenkomen en waarop we dan geconditioneerd reageren in denken, voelen en handelen. Simpelweg omdat we niet met onze aandacht in Nu blijven, maar verzanden in projecties op een verlopen verleden en een imaginaire toekomst. Dit doet ons identificeren en brengt ons in een mechanisch denken, wat we kunnen ervaren als een gemaal in ons hoofd. Onze gehechtheden, verlangens en alle andere onopgemerkte mentale aanjagers zoals aannames en vooroordelen houden ons met de aandacht in die gevangenis van een niet bestaand verleden en toekomst. Ze houden de overhand, brengen ons in moeilijkheden en verdrijven een natuurlijke gelukservaring.

Allemachtig… wat een verhaal!
Het ziet er dus niet best uit, zoals het met de mens is gesteld…

Daar heb je gelijk in. De mens functioneert vér onder zijn mogelijke niveau.
Voornamelijk doordat onze geest niet helder is en door alle consternatie die mechanisch denken en voelen met zich meebrengt, identificeren we ons steeds weer met van alles en nog wat en zijn we totaal vergeten dat er nog Iemand ín de koets zit. Dat we ons Zelf zijn. Ons ‘gezond’ verstand is ongezond geworden, onze gevoelens hebben niet meer hun natuurlijke intuïtie-verbinding met ons geweten, en ons lichaam loopt gevaar door niet de juiste verzorging te krijgen waardoor allerlei gebreken gaan optreden.

Is onze koetsier nog werkelijk wijs en leidend? Of is ie eigenzinnig en in slaap?
Vinden onze paarden nog van nature ‘de weg’? Of zijn ze gestrest of afgestompt?
Is onze koets nog sterk en vitaal? Of zakt ie door z’n assen?

En die Ingezetene dan? Het Zelf?

Het Zelf zal dit allemaal worst zijn, eerlijk gezegd; die kent geen strijd of streven en neemt slechts waar. Het Zelf is altijd in vrede. Het Zelf kent geen oppositie. Hij Weet. Zijn kennis is altijd beschikbaar voor wie er open voor staat. Zijn Kennis zal de koets altijd weer vanuit het drijfzand van identificaties en vanuit het ruwe terrein van ongewenste omstandigheden naar de balans van het wagenspoor kunnen leiden, naar het Nu. Altijd. Het Zelf is in ons, we hoeven het maar te volgen.

Wat staat ons als eerste te doen?

We zullen ‘radicaal’ moeten worden, een begrip dat afstamt van het Latijnse radix dat wortel betekent. En ons richten op de ‘wortel van bevrijding’ die ons uit de onenigheid van het hoofd, uit de onvrede van ons hart en uit ziekte van ons lichaam houdt.

Ik heb het door! Enorm bedankt!

Heel graag gedaan, m’n beste.

 

Georgi Ivanovitsj Gurdjieff (1866 – 1949) was een Grieks-Armeens filosoof, mysticus, schrijver en componist

© Michiel Koperdraat