Eva’s appeltje

Onderstaand fictieve interview is een hernieuwde visie op het verhaal van Eva en Adam die uit het paradijs zouden zijn verjaagd. Nu krijgen we Eva’s eigen verhaal te horen, en dat werd eigenlijk wel eens tijd, nietwaar?
Zelfkennis.nu mocht haar interviewen, onder het genot van een glaasje appelcider. 🙂

Interview met oermoeder Eva

Dag Moeder Eva, wat fijn dat ik u mag spreken!

Nou, zeg maar gewoon Eva hoor.

Maar u bent toch onze Oermoeder…? Dan kan ik u toch niet…

Jawel hoor. Ik sta niet alleen voor mijzelf, maar ook voor vele anderen.

Ach! Is dat zo?

Zeker, want velen gaan mijn weg, echter zonder het te weten.

Oh ja? Ik heb zelf eigenlijk niet de indruk dat we allen uit de Hof van Eden stammen, zoals u.

Wel, dat is toch echt het geval. Ik ben de hoofdpersoon van een belangrijke parabel, sprookje zo je wilt, en in parabelen is vaak veel algemene wijsheid te vinden, tussen de regels van het simpele verhaal door. Ik als Eva sta dus ergens voor, als beeldspraak dus, net als het aardse paradijs ergens voor staat.

Wilt u mij dit alstublieft uitleggen? Want u zou uit het paradijs zijn verdreven. Is dat dan ook beeldspraak?

In zekere zin, ja. Ik was in de Hof van Eden, samen met Adam, en daar ‘gebeurt’ in feite niets. Het ís er, meer niet. Volkomen egaal, volkomen spanningsloos, volkomen ééntonig zonder welke vorm van stromende energie dan ook. Alles is daar eeuwig. De Tuin van Eden ontleent haar naam niet aan een specifieke plek, maar aan de plaatsaanduiding ‘in het Oosten’, en dat is beeldspraak voor waarvandaan de wijsheid stamt. Ook vandaag de dag nog is de meeste wijsheid in het Oosten te vinden. Het is de plaats van de opkomende zon, en de zon staat al eeuwig voor het Ware Licht, ook in ons. In ‘het Oosten’ komt ons innerlijke ‘Licht’ op. De Hof van Eden ‘is’… zonder meer… altijd en eeuwig, en als tuin voorgesteld, waar groei en bloei in potentie aanwezig is. Dit Hof van Eden (ook wel vertaald met Geluksland) is de Wereld van Eén en hier ontspringt een ultieme ‘rivier’ als Gods eerste schepping, die later ook de naam Akasha zou krijgen. De benaming ‘God’ staat natuurlijk voor de Absolute Bron vanwaaruit alles ontspringt. 

Is het Hof van Eden dan geen vreselijk saaie plek?

Nou ja, als ‘saai’ als oordeel zou bestaan in dit één-voudige paradijs, tja, dan zou je het wel saai kunnen noemen. Maar ik ervoer dat toen niet zo. Het was er absoluut weldadig en zonder een enkele spanning. Altijd volledig Nu. Toch kwam er een groot verlangen in mij op en leek ik op een bepaalde manier ‘op zoek’ te zijn. Er was ook een appel die telkens weer mijn aandacht trok en er lekker uitzag. Die hing aan een boom waarvan God zei dat we er voorzichtig mee moesten zijn. De boom van eenheid (de stam) naar verscheidenheid (de ontelbare takken) met de ‘vrucht van onderscheid’ eraan. Ik zat er vaak op een tak naar te kijken, samen met Adam. Er ging van die appel een enorme aantrekkingskracht uit… de appel deed een appèl op mij.

Grappig… maar God had u toch verboden ervan te eten? Zover weet ik het nog wel!

Nee hoor, dat had hij niet. God verbiedt eigenlijk niets. Het was een waarschuwing. God liet ons weten dat het grote gevolgen zou hebben als we als mens die welbewuste appel zouden verorberen. En ik zeg niet voor niks welbewuste appel…

Oh…? Maar mij is geleerd dat u er niet van mócht eten!

Dat is niet waar. Het komt door de oude kerkvaders die ‘schuld en schaamte’ hebben bedacht om macht te kunnen uitoefenen over gelovigen, ofwel onderworpenen. Zij hebben de teksten van de oude parabelen voor eigen doelen aangepast, herschreven en zelfs verminkt. Vergeet niet dat God niets schept wat geen zin of doel heeft! 

Maar er was toch ook die slang, die u arglistig heeft verleid tot het eten van die appel?

Hetzelfde verhaal helaas. De slang werd gedemoniseerd. Als je de overlevering van oudere culturen leert kennen, dan zul je zien dat de slang daar voor wijsheid staat. De slang was bekend als vruchtbaarheidssymbool en als symbool voor genezing, transformatie en wedergeboorte. In zijn eigen staart bijtend en zo een eeuwige cirkel vormend, zijn huid telkens afwerpend, staat de slang voor verjonging en het eeuwige leven, voor levensenergie en de scheppende kracht die in ieder mens aanwezig is. Onder de naam Muchalinda werd hij zelfs de beschermer van de Boeddha zelf! Vanwege het duale karakter van de slang, zond God hem naar mij toe. ‘Mijn’ slang had dan ook een belangrijke taak te volbrengen.

Vertel!

Toen de slang tot mij kwam, hypnotiseerde hij mij, leek het wel. Ik verzonk in zijn grote strakke ogen en voelde een enorme stimulans, alsof hij tot mij sprak met de woorden “neemt en eet deze appel, het zal je Het Vermogen des Onderscheids brengen”. Mijn verlangen werd zo steeds groter. Ik wilde iets dóen. Hier liet ik mij uiteindelijk door leiden en nam de stap die ik al zo vaak had willen zetten en de hap die ik al zo lang had willen nemen. De slang gaf mij de vereiste moed, Adam niet.

Dus de boom en appel waren niet die ‘van goed en kwaad’.

Welnee, het was ‘de Boom des Onderscheids’ met de vrucht van dualiteit. Daar kwam ik achter toen ik ervan at. In één klap kreeg ik de ervaring van tegenstellingen: van goed en kwaad, licht en donker, mooi en lelijk, heet en koud, man en vrouw, dichtbij en ver, en dus van alles wat bestaat dankzij een schijnbaar tegendeel of elkaar aantrekkende tegenstellingen. Die ervaring van ruimte! Die ervaring van tijd! Het was magisch! Wát een energié ervoer ik opeens! Wat een stromingen. Adam werd voor mij opeens sexy, dat had ik daarvoor nog niet ervaren! Alles leek tot leven te komen. Alles trilde, pulseerde en vibreerde, niets was meer ééntonig! Wat een krachten! Alles om mij heen groeide en bloeide en was als een enorme harmonische symfonie geworden. De harmonie van het Universum met een groot kloppend hart openbaarde zich voor mij!

Maar dat is toch fantastisch?!

Dat was het! En ik ontdekte ook gelijk de consequentie in deze nieuw ontdekte wereld: alles is eindig. Alles komt en gaat. Alles heeft twee kanten. Alles kon in zijn tegendeel verkeren. Ik werd overdonderd door de grootte van het universum, de duur en de reikwijdte ervan, en vooral van de ongelooflijke hoeveelheid verscheidenheid die ik hierin aantrof. Al die vormen, ál die kleuren, ál die geluiden, ál die wezens. Het was overweldigend van schoonheid in gemanifesteerde vormen! Maar in alles wat ik zag en meemaakte ervoer ik niet langer almaar de eenheid zoals ik die eerder kende. Ik had wel momenten dat alles om mij heen in eenheid leek te zijn, in een soort van kosmisch samenspel of evenwicht, maar dat raakte ik ook zo maar weer kwijt. Ik kon na het eten van die appel op mijzelf toekijken; ik had reflectie op mijzelf verkregen, alsof er twee Eva’s zijn, een die toekijkt en een die wordt bekeken. En soms voelde ik mij opeens heel klein worden, angstig ook, alsof ik iets zou kunnen verliezen… En dát had ik voorheen nooit gevoeld…

Is dat dan de reden dat hier altijd zo negatief over gesproken is?

Ja. Omdat in het aardse bestaan alles eindig is, ook het leven zelf, is de mens zo ook over zichzelf gaan denken. Als klein en eindig. De Dood deed dus zijn intrede. En als de mens ergens doodsbang voor geworden is, is het wel de dood. Hij voelde zich kleiner en kleiner worden, tijdelijk en kwetsbaar als individu, en ging van alles in zijn korte leven najagen om dit gevoel te compenseren, om zich weer groot te kunnen voelen.

Maar is daar dan wat mis mee?

Nou, in zekere zin toch echt wel, want ook ikzelf, als eerste mens die het paradijs verliet, voelde al spoedig mijn verworven inzichten vervagen, alsof er sluiers voor trokken. Als wolken die voor de zon trokken, zag ik al mijn aloude, maar ook mijn nieuw-verworven kennis afgedekt worden. Ik raakte het kwijt! Ik had voorheen in het paradijs geen keuze, geen vrije wil. Zelfs niet toen ik de appel at. Nu leek ik opeens wél een vrije wil te hebben! Ik kon opeens kiezen. Of dit, of dat… of nu, of later… totaal nieuw voor me! Ik kon opeens zélf uitmaken wat ik ging doen, wat ik ging denken, wat ik ging nastreven, wat ik zou wíllen. Ik beeldde mijzelf in een soort macht te hebben verworven om dingen te doen of te laten en hierdoor verloor ik het contact met mijn vroegere zelf en werd innerlijk verdeeld. Ik bevond me nu niet alleen in de Wereld van Twee, die van dualiteit, maar werd er ook slaaf van: de wereld van verwerven en verliezen, van aandoen en ondergaan, van weten en vergeten, van leven en sterven. Merendeels was ik uit Nu en mijn wil bleek helemaal niet meer vrij te zijn. Dus ach…

Wat ‘dus ach’…?

Ik vergat mijn eigenlijke zelf… Mijn Zélf! Mijn hemelse afkomst vergat ik, en werd een stoffelijk en tijdelijk mens, met mogelijkheden en onmogelijkheden, met de neiging om van alles te moeten en na te jagen. Ik kon liefhebben… maar ook haten… Zo kwam ik in onwetendheid te verkeren van mijn afkomst, met een onbekende lotsbestemming…
Niet God dreef mij uit het paradijs, ik had zélf het paradijs verlaten! Door kennis te nemen van de Wereld van Twee, en erin te verzuipen. Hier had God mij voor gewaarschuwd. En dit kon maar één ding betekenen: ik zou mijn paradijs moeten gaan weervinden. Ik zou de Wereld van Eén weer in mijzelf moeten gaan realiseren, door al die in mijzelf opgelopen tegenstellingen te overstijgen. Terug naar mijn Bron, mijn oorsprong.

Dat lijkt me geen eenvoudige opgave.

Inderdaad. Als ik die rivier weer terug tot aan de Bron zou willen volgen, zou ik bereid moeten zijn om tegen de stroom in te zwemmen. Zo is dat nu eenmaal met rivieren. Wie zich enkel met de stroom mee laat drijven, raakt steeds verder van de bron af. Ik moest dus een ware inspanning gaan leveren om mijzelf naar de eenheid van de Bron terug te voeren. Tegen de stroom van automatismen en verdeeldheid in, die nu eenmaal optreden in de duale Wereld van Twee.

Asjemenou…

Nu zul je ook begrijpen dat dit voor álle wezens geldt in deze schepping: voor mij ‘en vele anderen’. Begrijp je?

Ik sta paf… Waarom is ons dít niet verteld? Waarom altijd die angstaanjagende verhalen en misinterpretaties? Desinformatie… fake news!

Nou, dat vertelde ik je al, de macht had er belang bij. Maar er is nog een reden, en dat is dat de sluiers van onbewustheid die het grote Licht in ons zijn gaan verduisteren er de oorzaak van zijn dat de mens niet alleen zijn ware Wezen is kwijtgeraakt, maar ook alle kennis die áchter ‘goed en kwaad’, áchter die Wereld van Twee te vinden is: de kennis van Eén, waardoor hij dat zou kunnen terugvinden. Door dit gemis aan kennis is de mens ook zelf deze oude parabel verkeerd gaan interpreteren. Hij, de mens (en dan bedoel ik hij én zij) laat zich dan ook makkelijk verleiden tot de weg van de minste weerstand, in die eerdergenoemde rivier van dualiteit, wég van de Bron, en gaat dit wegdrijven zien als enig mogelijke weg. Hiermee is de mens zijn eigen lotsbestemming vergeten. De hunker naar weelde en geluk, die nog in zijn paradijselijke genen aanwezig is, is nu gericht op tijdelijke zaken, op aardse schatten en op misleid geloof. En daarin is geen duurzaam geluk te vinden. De realisatie van zijn ware Wezen is hem vreemd geworden. Zo kwam de zogenaamde zondeval tot stand, wat in feite niet meer betekent dan dat het gewoon eeuwig zonde is dat de mens zichzelf kwijtraakte op het moment dat hij in zekere zin ontwaakte in een aards bestaan.

Is dat de betekenis van ‘zondeval’ en ‘erfzonde’?

Tja… mensen die sterven doen erven. Onwetendheid gaat over van mens op mens. Jezus wist dat. Men zegt dat hij stierf voor onze zonden, maar ik zie het anders: hij liet zien hoe het is om een Waar Mens te zijn, die innerlijk, in zichzelf dus, één werd en het paradijs weer in zichzelf realiseerde, wat hij in de taal van toen het Koninkrijk Gods noemde. Hij leefde naar Waarheid en liet zien hoe de mens zijn onwetendheid, verdeeldheid en onbewustheid kan afleggen zoals de slang zijn huid, en hoe het is om hierin nooit met jezelf te marchanderen.

Zijn dat die handelaren die met de waarheid marchanderen en die Jezus uit de tempel gooide?

Precies! Heel juist. Die innerlijke marchandeurs met wat werkelijk goed is voor een mens, zal hij in zichzelf moeten leren herkennen en uit de tempel van zijn geest gaan verwijderen. Dat lijkt eenvoudig maar is dat toch niet. Dat betekent namelijk tegen de stroom van wat hij gewend is inzwemmen. Het betekent niet langer meegaan in datgene waar we almaar toe geneigd zijn: het vergeten van onze Bron, het vermijden het innerlijke werk dat hij dient te verrichten op weg terug naar Eén-wording. Het betekent stoppen met het onbewust najagen van aardse schatten en doelen door zich zijn ware Wezen te herinneren en van daaruit nog slechts te doen wat nodig is. 

Nou, heel erg bedankt Eva, ik ben werkelijk weer wat wijzer geworden!

Dat is fijn om te horen. Dan had ons gesprek werkelijk zin.

 

© Michiel Koperdraat