De Wet van Zeven

De mogelijke evolutie van de mens in het ontwikkelingsoctaaf

Wie de filosofie van de Vierde Weg bestudeert, stuit al snel op twee kernachtige uitgangspunten: de Wet van Drie en de Wet van Zeven. Waar de Wet van Drie regeert over de hoedanigheden die nodig zijn om iets tot stand te brengen, gaat de Wet van Zeven over de ontwikkeling van processen in tijd (vikriti in het Sanskriet). Deze wet verklaart waarom een proces niet vanzelf in een rechte lijn naar zijn doel blijft verlopen, maar op bepaalde momenten kan vertragen, afbuigen of van richting veranderen.
De Wet van Zeven is in de Vierde Weg-filosofie vormgegeven in de Do-ladder allegorie en hieruit volgen zeven niveaus van ontwikkeling die de mens kan gaan. Samen schetsen ze een helder en wetmatig beeld van hoe de mogelijke evolutie van de mens zich voltrekt.

Individueel

Waar de do-ladder de dynamische, procesmatige kant van deze evolutie laat zien – de opeenvolgende stappen, inspanningen en onvermijdelijke hindernissen die we onderweg tegenkomen – beschrijft een indeling van ‘Mens 1 t/m 7’ de innerlijke staat van ons wezen en bewustzijn op elk specifieke punt op die ladder van evolutie. Gezamenlijk ontstaat zo een complete landkaart van de menselijke transformatie. Het laat zien dat werkelijke spirituele ontwikkeling geen kwestie is van abstracte theorieën of heilige fantasieën, maar van een stapsgewijze overgang van een mechanisch, slapend bestaan naar een volledig geïntegreerd en objectief bewustzijn. De reis van Do naar het octaaf is de reis van de mechanische mens naar de universele mens.
Het westerse muzikale octaaf wordt dus als als beeld gebruikt: de do-ladder Do-Re-Mi-Fa-Sol-La-Ti-Do (die we vanaf de C vinden op de witte toetsen op de piano). Tussen de meeste tonen liggen hele intervallen, maar tussen Mi-Fa en Ti-Do slechts een halve toon. In tegenstelling tot de muziekleer worden alleen deze twee plekken een ‘interval’ genoemd in deze allegorie. Muzikaal zijn de halve tonen geen probleem, maar in de Wet van Zeven ontstaat juist daar een natuurlijke obstakel in elk ontwikkelingsproces.

Wanneer een bewustzijnsimpuls ontstaat – Do – kan een ontwikkelingsproces op gang komen. Het beweegt via Re naar Mi, maar daar aangekomen kan het niet vanzelf op eigen kracht verdergaan naar Fa. Er is een extra impuls van buitenaf nodig om het vertragende interval te overbruggen. Zonder zo’n impuls buigt het proces af, verandert het van richting en kan uiteindelijk in een cirkel belanden, zodat de oorspronkelijke bedoeling verloren gaat.
Zo’n extra impuls wordt een schok genoemd: geen harde ingreep, maar een bewustzijnsimpuls die het proces weer in de oorspronkelijke richting brengt. In de Vierde Weg kan dat een bepaalde inspanning zijn of een of andere vorm van bewustzijn die precies dan wordt ingebracht.
Dit interval verklaart waarom goede voornemens zo gemakkelijk verwateren. We besluiten gezonder te leven, dagelijks te mediteren, spiritueler te worden, enzovoort. In het begin is er veel enthousiasme. Maar na verloop van tijd neemt de energie af. We worden moe, vergeten onze afspraak met onszelf of krijgen twijfels. We zijn bij het eerste interval aangekomen. Zonder bewuste schok buigt het proces af; we keren terug naar oude gewoonten, vaak zonder het te merken. Juist daarom zijn zelfherinnering en bewuste inspanning zo belangrijk: op het moment dat de weerstand ontstaat die we voelen als ‘nou ja, laat ook maar’, brengen we de extra energie in die nodig is om verder te gaan.

Maatschappelijk

De Wet van Zeven is volgens Ouspensky goed zichtbaar in grotere processen, want is universeel. Een maatschappelijke of politieke beweging kan beginnen met een ideaal van vrijheid en gelijkheid. De massa komt in beweging (naar Re) en het oude regime wordt omvergeworpen (naar Mi). Daarna is er het interval: de energie is grotendeels opgebruikt en er is een nieuwe, bewuste impuls nodig om een vrije en stabiele samenleving te realiseren. Ontbreekt die, dan kan het proces een andere richting inslaan. Nieuwe machthebbers trekken meer macht naar zich toe en gebruiken geweld om de orde te handhaven. De beweging die begon met vrijheid mondt uit in nieuwe ellende.
De beweging die begon met vrijheid mondt uit in het tegendeel..

Ook in wetenschap en onderwijs kan iets dergelijks gebeuren. Een universiteit of stroming begint vanuit een oprechte zoektocht naar waarheid. Naarmate de tijd verstrijkt, verschuift de aandacht naar bureaucratie, subsidies, het verdedigen van bestaande theorieën of onderlinge machtsverhoudingen. De oorspronkelijke bedoeling raakt op de achtergrond en zaken keren in hun tegendeel.

Bij religies zien we een vergelijkbaar proces. Een profeet of leraar brengt een levende spirituele waarheid over. Volgelingen nemen deze over en verspreiden haar. Maar na verloop van tijd verstart de levende ervaring tot een instituut met regels, dogma’s en mogelijk zelfs onderdrukking i.p.v. bevrijding. Zonder voortdurende bewuste impuls kan datgene wat ooit bedoeld was om mensen naar liefde, waarheid of vrede te leiden, uiteindelijk het tegendeel voortbrengen.

De Wet van Zeven laat zien dat het begin van een proces geen garantie is voor de afloop. Iedere ontwikkeling kent momenten waarop de aanvankelijke intentie niet meer voldoende is. Al is het bij het opruimen van je kamer… voor je het weet ben je iets heel anders aan het doen. Juist daar is bewustzijn nodig: een nieuwe inspanning, een herinnering aan het oorspronkelijke doel en de bereidheid om opnieuw wakker aanwezig te zijn.

Voor het niveau van Mi bereikt is,
is vaak bij velen de pijp al leeg
~ vrij naar Ouspensky ~

Zeven niveaus van ontwikkeling

Do: de drie typen mechanische mens

In het ontwikkelingsoctaaf vertegenwoordigt Do de huidige basistoestand van de mensheid: de mechaniciteit van de wakende slaap. In deze fase leven en reageren mensen grotendeels automatisch op prikkels van buitenaf, al kunnen er incidentele periodes van een geconcentreerde aandachtflow aanwezig zijn. De Vierde Weg maakt binnen deze basistoestand onderscheid tussen de eerste drie niveaus van menselijk wezen en bewustzijn, die samen de mechanische mens vormen:

Mens 1: Hier ligt het zwaartepunt in het fysieke motorische centrum. Deze mens benadert het leven vooral vanuit het lichaam, instincten en lichamelijke behoeften. Het gedrag wordt in belangrijke mate bepaald door vaste gewoonten, comfort en overlevingsdrang.
De waarneming van de wereld is zintuiglijk en direct. Actie staat centraal. Mens 1 is geen denker en voelt niet uitgebreid; hij doet. Beweging, fysieke arbeid, sport, maar ook de zorg voor eten, drinken, slaap en veiligheid vormen de kern van zijn bestaan.
Kennis is voor dit type mens puur praktisch en gebaseerd op imitatie en herhaling. Mens 1 leert door te doen (een ambacht, een sport, een handeling). Iets ‘begrijpen’ betekent dat men weet hoe het te moeten uitvoeren.
Het gevaar ligt in slaaf worden van gewoonten en routine. Verandering van omgeving of routine veroorzaakt bijvoorbeeld onrust. Een blind materialisme of een nogal dierlijk bestaan liggen op de loer, waarin men volledig geleid wordt door de wet van de minste weerstand (comfort) en fysieke prikkels.
Mocht Mens 1 zich willen richten op bewustzijnsotwikkeling, dan richt ie zich op lichaamswerk, oorspronkelijk de weg van de fakir.

Mens 2: Hier ligt het zwaartepunt in het emotionele centrum. Het leven van deze mens wordt sterk bepaald door subjectieve sympathieën en antipathieën, schommelende stemmingen, persoonlijke verlangens, behoeften en acute afkeer.
De werkelijkheid wordt gefilterd door de dualiteit van leuk of niet leuk, sympathie of antipathie. Mens 2 wordt gedreven door kunst, religiositeit, esthetiek, hartstocht, maar ook door jaloezie, angst en drama. Logica heeft niet veel vat op dit type; als iets goed voelt, is het waar.
Kennis is gebaseerd op geloof, smaak en persoonlijke voorkeur. Mens 2 ‘begrijpt’ iets als er een emotionele klik mee is, als het emotioneel raakt.
Dit type is vaak labiel en onderhevig aan grote stemmingswisselingen. Omdat het emotionele centrum in de mechanische mens constant schommelt tussen aantrekking en afstoting, leeft Mens 2 in een illusie van eenheid, maar kan het ene moment intens liefhebben en het volgende moment haten, zonder de contradictie te zien. Dit type is vatbaar voor fanatisme en sektarisme.
Mocht Mens 2 zich willen richten op bewustzijnsotwikkeling, dan richt ie zich op toegewijde religiositeit of new-age, oorspronkelijk de weg van de monnik.

Mens 3: Hier ligt het zwaartepunt in het intellectuele centrum. Deze mens benadert de werkelijkheid via gedachten, theorieën, ideeën en kennis. Hij kan zeer intelligent en academisch ontwikkeld lijken, maar wordt achter de schermen nog steeds grotendeels door zijn mechanische processen bestuurd.
Dit is de mens van woorden, boeken, analyses en logica. Mens 3 observeert het leven van een afstand en rationaliseert alles. Gevoelens worden intellectueel verklaard en fysieke behoeften worden vaak genegeerd of juist strikt gereguleerd volgens een bepaalde theorie (bijv. een specifiek dieet).
Kennis is voor hen een verzameling van feiten, data, schema’s en concepten. Mens 3 ‘begrijpt’ iets zodra er een etiket op geplakt kan worden of het in een logisch systeem kan worden ondergebracht. Ouspensky benadrukt dat dit type vaak ‘alles weet, maar niets begrijpt’, omdat echte verbinding met de realiteit ontbreekt.
Dit type lijdt aan de illusie dat zijn intellectuele capaciteit synoniem is met bewustzijn. Achter de schermen is zijn denken echter net zo mechanisch als de spierreflexen van Mens 1, als een computer die geprogrammeerde data verwerkt. Mens 3 raakt gemakkelijk verdwaald in abstracties, dogma’s en eindeloze discussies, losgekoppeld van de levende realiteit.
Mocht Mens 3 zich willen richten op bewustzijnsotwikkeling, dan richt ie zich op het doorwrochten van boeken en bewustzijnssystemen en schema’s, oorspronkelijk de weg van de yogi.

De vierde weg

Hoewel deze drie menstypen uiterlijk sterk van elkaar verschillen, hebben ze iets wezenlijks gemeen: geen van hen beschikt over een stabiel Ik of een permanente wil. De mechanische mens wordt voortdurend heen en weer bewogen door de vele afzonderlijke, innerlijke ‘ikjes’ die in hem actief zijn. Hij verkeert in de stellige illusie dat hij zelf handelt en bewust keuzes maakt, terwijl hij in werkelijkheid voor een groot deel wórdt geleefd en merendeels reageert op triggers van buitenaf. In de filosofie van de Vierde Weg is het doel om deze drie centra met elkaar in evenwicht te brengen: de harmonische ontwikkeling van de mens. Pas wanneer de centra samenwerken en elkaar niet langer onderdrukken of verstoren, ontstaat de basis voor wat Mens 4 wordt genoemd: de mens die begint te ontwaken en een permanent bewust ‘Ik’ ontwikkelt.
De Vierde Weg stelt dat deze drie oorspronkelijke ontwikkelingswegen (fakir, monnik, yogi) afzonderlijk onvolledig zijn omdat ze slechts één aspect van de mens trainen. De synthese hiervan, waarbij lichaam, emotie en intellect gelijktijdig in het dagelijks leven worden ontwikkeld, wordt daarom de Vierde Weg genoemd – ook wel de weg van de “sluwe mens”.

Re en Mi: bewuste actie en het ontstaan van een Magnetisch Centrum

Toch kan er dus in die mechanische toestand een diep verlangen ontstaan om te veranderen, om bewuster te gaan leven. De eerste stap, van Do naar Re, is het overwinnen van deze mechanische traagheid. De wens om werkelijk wakker te worden moet hier worden omgezet in een concrete handeling: een bewuste beslissing en een breuk met de vanzelfsprekendheid van het mechanische leven.

Veel persoonlijk ingeslagen octaven sterven volgens Ouspensky al voordat ze Mi bereiken. We kunnen immers lange tijd dromen over verandering zonder ooit de feitelijke energie op te brengen om te beginnen. Re is het specifieke moment waarop we daadwerkelijk in beweging zijn gekomen en bereid zijn een actieve inspanning en het ongemak van de nieuwe keuze te verdragen. Dat is voor velen dus al teveel. Want dan moeten we kiezen voor enige scholing of begeleiding, want alleen dat kan ons naar Mi verheffen. Men is ook niet bereid daar iets voor uit te geven.

De stap van Re naar Mi bestaat verder uit het steeds meer integreren van die nieuwe richting in het dagelijks leven. Studie, oefening of nieuw gedrag krijgt een vaste plaats en begint stabieler te worden. Maar het proces is op dit niveau nog heel kwetsbaar. Omdat de mens nog niet over één constante wil beschikt, ligt terugval op de loer. De ‘ik’ die op Do besloot te mediteren of te studeren, kan op Re alweer zijn vervangen door een ‘ik’ die liever slaapt of z’n zinnen achterna gaat. Luiheid (tamas) is ook vaak een oorzaak.
De inspanning tussen Re en Mi bestaat daarom uit het telkens opnieuw herinneren van de oorspronkelijke wens. Door actieve zelfherinnering proberen we de verschillende innerlijke ikjes in onszelf in dezelfde richting te laten werken. Zo ontstaat geleidelijk de psychologische gedegenheid die nodig is om Mi te bereiken. In deze fase begint zich een magnetisch centrum te vormen: een innerlijk vermogen dat ons steeds opnieuw naar het Werk terugbrengt. Op Mi is de theorie niet alleen begrepen en aangevangen, maar begint zij ook daadwerkelijk vaste vorm te krijgen in de praktijk.

Het interval Mi-Fa

Op de toon Mi is de aanvankelijke mechanische energie en het eerste enthousiasme grotendeels opgebruikt. Om verder te kunnen stuit het proces op het eerste grote interval: Mi-Fa. Volgens de Wet van Zeven kan de voortgang in het octaaf hier niet zelfstandig doorstromen; er is een nieuwe impuls of extra schok nodig om de richting te behouden.
Wanneer deze schok werkelijk wordt opgenomen, verandert het karakter van het werk fundamenteel en kan het door naar Fa. Dit is het punt waar de breuk met mechaniciteit plaatsvindt en de eerste transitie naar Mens 4 zich voltrekt. De werkelijke ontwikkeling begint namelijk wanneer de mens zijn eigen mechaniciteit doorziet.

Mens 4 is weliswaar nog niet vrij en beschikt nog niet over een permanent bewustzijn, maar het cruciale verschil met de niveaus 1, 2 en 3 is dat hij zijn eigen mechanische toestand begint te herkennen. Hij ziet in dat hij niet de coherente persoon is die hij dacht te zijn en dat hij grotendeels in een toestand van wakende slaap leeft. In plaats van zich vast te houden aan het ego-beeld dat hij al bewust en ontwikkeld is, begint hij zijn eigen innerlijk functioneren eerlijk en onbevooroordeeld te observeren.
Bij Mens 4 ontstaat hierdoor een stabiel zwaartekrachtcentrum: een steeds sterker wordende innerlijke gerichtheid op het werk aan zichzelf. Zelfobservatie, zelfherinnering en bewuste inspanning krijgen een centrale plaats in het bestaan. Dit is een beslissende, wakkere overgang, maar nog geen eindpunt. Mens 4 is de mens die het Werk werkelijk begint te belichamen en te doen.
Vanaf de toon Fa verandert de persoonlijke ontwikkeling fundamenteel. Tot aan Mi kon het werk nog grotendeels worden gedragen door persoonlijke motivatie: het egocentrische verlangen om zichzelf te verbeteren, nieuwsgierigheid of het streven naar een comfortabeler leven. Vanaf Fa wordt het Werk echter objectiever en esoterischer. Het gaat niet langer alleen om wat ik wil bereiken, maar om een grotere ontwikkeling die het gewone, persoonlijke bewustzijn overstijgt. De mindset stabiliseert zich in een krachtig zwaartekrachtcentrum dat zich niet meer door iedere uiterlijke of innerlijke beweging laat meeslepen.

Fa en Sol: richting objectief Werk en loutering

Op Fa beginnen weliswaar de eerste spirituele vruchten zichtbaar te worden, maar juist daardoor ontstaat een nieuw risico: spirituele trots door een subtielere vorm van identificatie. We kunnen ons gaan vereenzelvigen met onze eigen progressie en met het verheven beeld dat we van onszelf als bewust of spiritueel mens hebben gevormd.
De stap van Fa naar Sol vraagt daarom om een steeds objectiever bewustzijn ten opzichte van onszelf. Om de spirituele trots te doorzien is een diepere emotionele loutering nodig, die alleen vanuit onze essentie mogelijk is. We moeten onze aangeboren neigingen (vásanas), ego-manifestaties en diepgewortelde negatieve emoties beter leren doorzien en resoluut stoppen ze te voeden. Boosheid, gekwetstheid, zelfrechtvaardiging, angst en zelfmedelijden zijn we normaal gewend te rechtvaardigen en herkauwen.

In het Vierde Weg-werk betekent dit ‘het opofferen van ons eigen lijden’: we leren deze knellende emoties intern te verdragen zonder ze mechanisch te uiten en zo innerlijk verder te voeden. De psychische energie die in deze emoties besloten ligt, wordt dan niet verspild, maar getransformeerd. Dit vraagt om een voortdurende emotionele loutering en vormt een bewuste uiting van vrijwillig lijden: het bewust verdragen van datgene wat ons zich identificerende ego normaal gesproken onmiddellijk zou proberen te vermijden of af te reageren. Dit klinkt misschien hoogdravend, maar het verdragen zit toch juist in de kleine dingen die plaatsvinden in onze relationele sfeer of werk.
Wanneer deze loutering slaagt, bereiken we Sol. Grappig is dat sol ook zon (licht) betekent. Deze evenwichtige toon (sla maar eens een kwint aan op een piano) staat voor een verregaand innerlijk evenwicht en een onwankelbaar zwaartekrachtcentrum in onze psyche. Dit niveau staat voor het zijnsniveau van Mens 5.

Mens 5 vertegenwoordigt een veel verder gevorderd stadium binnen de innerlijke hiërarchie. Door het langdurige werk en emotionele transformatie is de verdeeldheid van de mechanische persoonlijkheid hier definitief overwonnen. De vele losse ikjes hebben plaatsgemaakt voor een duurzaam Ik en een gecentreerde Wil. Er is een sterk innerlijk anker gerealiseerd en daarmee een grote onafhankelijkheid van toevallige, uiterlijke omstandigheden. Dit is het niveau van Subjectief Bewustzijn, ook wel Zelfbewustzijn genoemd (dit in tegenstelling tot wat in de wereld van de wakende slaap zelfbewustzijn wordt genoemd, want dat is in feite egobewustzijn).
Bovendien krijgt Mens 5 als het ware toegang tot een Hoger Emotioneel Centrum. Hierdoor wordt een vorm van objectief voelen mogelijk dat niet langer vertroebeld wordt door persoonlijke projecties, angst, bezitsdrang, drama of jaloezie. Liefde, empathie en intuïtief inzicht verliezen hun egocentrische lading en krijgen een universeler, esoterischer karakter.

La en Ti: autonomie en objectief bewustzijn

De stap van Sol naar La betreft de autonome ontwikkeling van een steeds zelfstandiger bewustzijn. De mens realiseert hier in feite zijn eigen volwaardige innerlijke levenscoach. Waar we op de niveaus van Re en Mi nog heen en weer werden geslingerd door wat er in de omgeving gebeurde, is het innerlijke leven nu onkwetsbaar geworden voor uiterlijke omstandigheden. Of anderen aardig zijn, of situaties mee- of tegenzitten, bepaalt niet langer hoe we handelen.
De inspanning tussen Sol en La levert een steeds duurzamere zelfherinnering. Zelfreflectie in Nu wordt dus langduriger en dieper. Ons aanwezig zijn gebeurt steeds dan meer vanuit de stille meta-psyche: een transcendent niveau van bewustzijn dat niet wordt bepaald of ingekleurd door onze gewone psychologische aard en persoonlijkheid.

Mens 6 beschikt over een permanent Objectief Bewustzijn. Daarnaast heeft hij stabiele toegang tot het Hoger Intellectuele Centrum. Zijn waarneming van ‘de wereld’ wordt niet meer bepaald door de subjectieve kleuring: volledig IN de wereld, maar niet meer VAN de wereld. Hij kan de werkelijkheid direct, naakt en objectief waarnemen en is in staat de diepere, onderliggende kosmische wetmatigheden ervan onmiddellijk te begrijpen.

De stap van La naar Ti wordt in de Vierde Weg-traditie vervolgens aangeduid als de drempel van de meester. De mens bereikt met deze ontwikkelingsstap een vergaande mate van innerlijke integratie. Minimale mechanische reacties en rest-identificaties worden nu definitief doorzien en achtergelaten. Die mens hoeft zich niet langer te verlaten op zijn gewone persoonlijkheid als basis voor zijn handelen. De psyche transformeert tot een zuiver, transparant instrument voor een universeel bewustzijn dat de aardse personaliteit overstijgt.

Wat deze specifieke toestand van Mens 7 exact inhoudt, kan uiteraard niet uit alledaagse ervaringen in de wereld om ons heen worden beschreven. Want die mensen zijn er niet. En als ze er zouden zijn, maken ze zich niet bekend. De Vierde Weg maakt duidelijk dat hiervoor van een mens de ultieme innerlijke transformatie wordt gevraagd: de transformatie van het interval van Ti naar het nieuwe Do, het loslaten van het individu en het volledig beschikbaar worden voor het hogere bewustzijn. Het schijnt een heel moeilijk te overkomen interval te zijn. De trekkracht naar ‘beneden’ is hier het zwaarst. En het schijnt ook voor eenieder die hiervoor komt te staan een verschillende uitdaging te zijn.

Het interval Ti-Do: de ‘mystieke dood’ richting octaaf

De meest zware of schijnbaar onneembare interval van het ontwikkelingsoctaaf: Ti-Do. Voor deze transcendente overgang is een vele malen grotere schok nodig dan bij het eerste interval (Mi-Fa). Waar bij het eerste interval een impuls van buitenaf (zoals een school, een boek of een leraar) nog voldoende kon zijn om de zoeker over het dode punt heen te helpen, is zo’n externe hulp bij Ti-Do niet meer toereikend. De beslissende schok moet hier volledig van binnenuit ontstaan, al kan de trigger ertoe van buitenaf komen.
De overgang naar het octaaf, de nieuwe Do, wordt beschreven als een totale transformatie van de persoonlijke wil. De individuele wil, die gedurende de reis langs de verschillende tonen van het octaaf steeds bewuster en geconcentreerder is geworden, moet zich hier uiteindelijk volledig overgeven en afstemmen op de Universele Wil. Het allerlaatste restje identificatie met individualiteit wordt definitief opgelost. Van één persoon weten we wat Hem overkwam in dit laatste interval: Hij werd opgepakt, gemarteld en gekruisigd. Een helder voorbeeld van een afschrikwekkend interval…

Deze esoterische gedachte vertoont diepe parallellen met wat in verschillende grote religieuze en mystieke tradities wordt aangeduid als de mystieke dood: het volledig sterven van de oude, mechanische mens en de geboorte van een geheel nieuwe staat van Zijn. In de christelijke mystiek is dit dus onlosmakelijk verbonden met het sterven en de daaropvolgende verrijzenis van Christus aan het kruis: “Vader, in uw handen beveel ik mijn geest.”

Wanneer deze laatste overgang is voltooid, klinkt er een nieuwe Do, zou je kunnen zeggen: de geboorte van Mens 7 die het octaaf realiseert. Dit vormt het allerhoogste niveau van menselijke ontwikkeling en heeft de volledige potentie van de mens bereikt zoals die binnen de kosmische orde mogelijk is. Hij beschikt over een permanente onafhankelijkheid die in volmaakte resonantie is met de Universele Wil. Zijn objectieve bewustzijn is kosmisch geworden en zijn totale wezen is onttrokken aan de mechanische werking van de aardse natuur. We hebben het dan over een werkelijk gerealiseerd Heilig mens. Dit is overigens niet te vergelijken met personen die door de kerk heilig worden verklaard en die mogelijk wel in het octaaf zijn gestegen, maar deze niet hebben afgerond.
In de Vierde Weg wordt Mens 7 geassocieerd met een deze vorm van onsterfelijkheid. Maar die zouden we dus feitelijk en in overeenstemming met het octaaf Mens 8 moeten noemen, omdat Mens 7 de zwaarste interval nog moest overstijgen. Omdat de Vierde Weg-filosofie dit niet doet houden we het dus (om niet af te wijken) maar op Mens 7 die zich volledig realiseert.

Deze volledige indeling maakt pijnlijk duidelijk hoe immens het verschil is tussen het alledaagse, mechanische menselijke functioneren en wat de Vierde Weg als de werkelijke, volwaardige ontwikkeling beschouwt. Juist vanwege deze enorme kosmische afstand is het binnen het Werk een dwingende eis om onszelf niet te snel een hoger niveau toe te kennen. Het werkelijke startpunt van onze opwaartse reis ligt namelijk altijd bij het even eenvoudige als confronterende inzicht dat we op dit moment nog grotendeels mechanisch leven in een wakende slaap.

Waarom het Enneagram niet wordt gebruikt op Zelfkennis Nu

Hoewel dit enneagram wiskundige model velen intrigeert, vertroebelt dit schema de werkelijke transformatiestappen. Het laat een muzikale inconsistentie zien die afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van waarlijke ontwikkelings-octaaf. De moderne pop-psychologie heeft het enneagram ook nog eens gereduceerd tot een statisch schema van menstypen om juist de mechanische mens te categoriseren. Deze opvatting moeten we dus negeren.

Bij de oorspronkelijke duiding van Gurdjieff ontstaat een fundamenteel conflict. Gurdjieff verklaarde de universele Wet van Zeven aan de hand van het muzikale octaaf, middels de Do-ladder zoals hierboven beschreven, met de natuurlijke vertragingen (intervallen) tussen de tonen Mi-Fa en Ti-Do.
In het geometrische enneagram verschuift het tweede interval echter onverklaarbaar naar voren, waardoor het tussen La en Sol (op punt 6) belandt. Muzikaal weerspiegelt dit een Sol-ladder en dit botst dus met de spiritueel geduide do-ladder, waarin de ultieme transformerende stap naar totale Zelfrealisatie van Ti naar Do gaat. Dit is de sprong van het Christus-archetype: de kruisiging en opstanding als voltooiing van het aardse octaaf, waarna de poort naar het hogere kosmische niveau openspringt. Het enneagram dwingt tot theoretisch gemarchandeer om dat interval naar voren te halen.

Vergelijk het met een spoorzoektocht. Als de organisator één stap verkeerd op de kaart zet, lopen de kinderen vast en zijn er volwassenen met een of andere verklaring nodig om het recht te praten en hen de weg te wijzen. Een onjuiste landkaart maakt de zoeker afhankelijk van externe uitleg. Voor ‘Mens 3’ is dit een gevaarlijke afleiding; het spirituele intellect bijt zich vast in dit complexe afwijkende schema, waardoor het bestuderen van het model een doel op zich wordt en het daadwerkelijke Werk blijft liggen.

Zoals Jezus zei: “Word als de kinderen, anders kom je het Koninkrijk der Hemelen niet binnen”. Een kind kijkt onbevangen en moet op eigen kracht het spoor kunnen vinden in een speurtocht. Dat geldt ook voor beginnende ‘spoorzoekers’ op weg naar zelfrealisatie. Een goed schema voor innerlijke ontwikkeling moet de weg verhelderen en niet nieuwe raadsels toevoegen. Zonder afhankelijk te zijn van complexe verklaringen van ingewijden moet ook een beginnend octaafloper op eigen kracht het spoor kunnen vinden. De indeling van Mens 1 tot en met Mens 7 biedt genoeg helderheid: het toont direct waar we staan, wat er nodig is en van ons gevraagd wordt. En dat transformatie alleen ontstaat door daadwerkelijk innerlijk Werk zonder hersengymnastiek.

Het Werk in de Praktijk

Het Werk begint niet bij ingewikkelde esoterische kennis, maar midden in ons gewone huisje-boompje-beestje-baantje-leven via twee praktische basisoefeningen:

  • Onbevooroordeelde zelfobservatie: jezelf gadeslaan alsof je een ander mens observeert. Welke fysieke spanningen ontstaan er bij stress? Welke gedachten en gevoelens herhalen zich? Registreer dit zonder te oordelen of direct iets te willen veranderen.
  • Het niet langer uiten van negatieve emoties: de automatische neiging om te klagen, te oordelen of in zelfmedelijden te vervallen bewust stoppen zodra we het opmerken. Dit is geen onderdrukking, maar een simpel weigeren om de emotie de wereld in te slingeren. De innerlijke frictie die hierdoor ontstaat, levert volhouder de noodzakelijke schok om het Mi-Fa-interval te overbruggen.

© Michiel Koperdraat